Die zondagen bloeiden de bermen
en kleurden de weilanden rood,
een warme wind dreef de geuren
van ingekuild gras langs het water.

De dijken waren nog paden
van stoffige klei met wat gras
en daar liepen we die morgen
versleten alleen onze schoenen.
We tuimelden als op vleugels
de dijk af langs vogelnesten
verscholen in 't hoge gras.


Keetensedijk






Wat verderop aan de rivierkant
lagen bewoonde schepen,
en turend door 't riet aan de oever
zag ik dat daar kinderen speelden.

Ik droomde van mee te varen:
o, was ik een kind op die boot,
ik reisde naar vreemde landen
ver weg van mijn huis beneden,
waar eens mijn leven geplant werd
dicht bij de bloeiende bermen,
en koperkleurige landen.

De weilanden dragen nu huizen
die tot in de wolken groeiden
en over bestrate dijken
verslijten de autobanden.
Waar vind ik nog ooit de vrijheid
waarvan ik die zondagen droomde,
in de tijd van de bloeiende bermen
en landen koperrood.

Vorige
Overzicht
Volgende

© 2011, Corrie Groeneveld - van Staveren